2 Koningen 4,8-37
Ik schreef over dit dodenopwekkingsverhaal vier artikelen:
(1) 'Elisa en de verborgen God: 2 Koningen 4,8-37 — afbakening, opbouw en karakterisering van Elisa', te vinden op www.nicoriemersma.nl, blog 9 maart 2022;
(2) 'Hoe een jong mens tot leven komt: Een close reading van 2 Koningen 4,32-35', in: Marieke den Braber & Willien van Wieringen (red.), Elia en Elisa (ACEBT 34), Amsterdam 2022, 21-34
(3) 'Een korte reactie op de kritiek [van Bob Becking]', in: Marieke den Braber & Willien van Wieringen (red.), Elia en Elisa (ACEBT 34), Amsterdam 2022, 45-49.
(Bestel je ACEBT 34 voor 14.00 uur, https://www.societashebraica.nl/component/content/article/85-artikel/nieuws/137-zeer-binnenkort-acebt-35-elia-elisa?Itemid=437 dan heb je het morgen in de bus [PostNL volente]);
(4) 'Een uitgebreide reactie op de kritiek [van Bob Becking], te vinden op www.nicoriemersma.nl, blog 11 mei 2022).
8En het gebeurde op een dag dat Elisa was overgestoken naar Sunem.
Daar was een grote vrouw;
ze greep hem om (brood) te blijven eten.

En het gebeurde, zo vaak als hij overstak,
dat hij zich daarheen keerde om er (brood) te blijven eten.
9En zij zei tegen haar man:
‘Zie toch, ik weet dat het een heilige Godsman is
die steeds bij ons oversteekt.
10Laten wij toch een klein, ommuurd bovenvertrek maken
en daar voor hem neerzetten:
een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar.
En het zal gebeuren, wanneer hij bij ons komt,
dat hij zich daarheen keert.’

11En het gebeurde op een dag, dat hij daar kwam,
dat hij zich naar het bovenvertrek keerde en zich daar neerlegde.
12Hij zei tot Gehazi, zijn jongen:
‘Roep deze Sunamitische.’
Hij riep haar,
waarop zij voor hem ging staan.
13Hij zei hem:
‘Zeg toch tegen haar:
“Zie, u bent schrikbarend druk voor ons geweest.
Is dit wat wij kunnen doen voor u:
kan ik voor u tot de koning spreken of tot de legeroverste?’
Zij zei:
‘Te midden van mijn volk verblijf ik.’
14Hij zei:
‘Wat kunnen wij doen voor haar?’
Gehazi zei:
‘Ach, zij heeft geen zoon,
en haar man is oud.’
15Hij zei:
‘Roep haar.’
Hij riep haar,
waarop zij in de [deur]opening bleef staan.
16Hij zei:
‘Op deze zelfde tijd, in de lente, bent u een zoon aan het omhelzen.’
Zij zei:
‘Nee, mijn heer, Godsman,
lieg niet tegen uw dienstmaagd.’
17De vrouw werd zwanger
en baarde een zoon op deze zelfde tijd, in de lente, waarvan Elisa tot haar gesproken had,.
18En het kind werd groot.

En het gebeurde op een dag dat hij naar buiten ging,
naar zijn vader, naar de maaiers.
19Hij zei tegen zijn vader:
‘Mijn hoofd, mijn hoofd!’
Hij zei tegen de jongen:
‘Neem hem mee naar zijn moeder.’
20En hij nam hem mee en bracht hem bij zijn moeder.
En hij zat tot de middag op haar knieën,
toen stierf hij.
21Zij ging op, legde hem neer op het bed van de Godsman
sloot achter hem af en ging naar buiten.
22Zij riep haar man en zei:
‘Stuur mij toch één van de jongens met één van de ezelinnen,
zodat ik snel naar de Godsman kan gaan en terugkeren.
23Hij zei:
‘Waarom zou je vandaag naar hem toe gaan?
Het is geen nieuwe maan en geen sabbat.’
Maar zij zei:
‘Het gaat goed.’
24Toen zadelde zij de ezelin
en zei tegen haar jongen:
‘Drijf [de ezelin] op en ga;
houd voor mij niet in om door te rijden,
tenzij ik het je zeg.
25Hij ging en kwam bij de Godsman, bij de berg Karmel.

En het gebeurde, toen de Godsman haar van een afstand zag,
dat hij tegen Gehazi, zijn jongen, zei:
‘Zie, zij daar is de Sunamitische.’
26Nu, ga haar toch snel tegemoet en zeg haar:
“Gaat het goed met u?
Gaat het goed met uw man?
Gaat het goed met uw kind?”’
Zij zei:
‘Het gaat goed.’
27Ze kwam bij de Godsman, bij de berg,
en greep zijn voeten.
Gehazi kwam naderbij om haar weg te duwen,
maar de Godsman zei:
‘Laat af van haar,
want haar ziel is bitter voor haar.
JHWH heeft het voor mij verborgen
en het mij niet bekendgemaakt.’
28Zij zei:
‘Heb ik een zoon van mijn heer gevraagd?
Heb ik niet gezegd:
“Geef mij geen valse rust!”’
29Hij zei Gehazi:
‘Omgord je middel,
neem mijn staf in je hand en ga;
als je iemand treft, zegen hem niet,
en als iemand jou zegent, geef hem geen antwoord.
Leg mijn staf op het gezicht van de jongen.
30De moeder van de jongen zei:
‘JHWH leeft en uw ziel leeft,
ik zal u niet verlaten.’
Hij stond op en ging achter haar aan.
31Gehazi was voor hen uit overgestoken.
Hij legde de staf op het gezicht van de jongen,
maar er kwam geen geluid en er kwam geen opmerkzaamheid.
Hij keerde terug, hem tegemoet,
en maakte hem bekend, zeggend:
‘De jongen is niet ontwaakt.’
32Toen Elisa bij het huis kwam,
zie, de jongen was dood en op zijn bed neergelegd.
33Hij kwam, sloot de deur achter hen beiden
en bad tot JHWH.
34Hij besteeg
en legde zich neer op het kind
Hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen
en zijn handen op diens handen.
en hij hurkte op hem.
Het vlees van het kind werd warm.
35Hij keerde terug en ging in het huis op en neer.
Hij besteeg
en hij hurkte op hem.
De jongen nieste tot zevenmaal toe
en de jongen deed zijn ogen open.
36Hij riep tot Gehazi en zei:
‘Roep deze Sunamitische.’
Hij riep haar
waarop ze naar hem toe kwam.
Hij zei:
‘Neem uw zoon mee.’
37Zij kwam, viel voor zijn voeten neer
en boog zich ter aarde.
Zij nam haar zoon mee en ging naar buiten.

Print deze tekst | vertaling door Nico Riemersma | bij 6e van de herfst (23 oktober 2022)
Laatste wijziging 2000 01 01 00:00:00
Reacties: nog geen reacties
Andere vertalingen: 2Kon. 4,18-37 , 2Kon. 4,8-37 , 2Kon. 4,18-37 , 2Kon. 4,8-37 , 2Kon. 4,8-37 , 2Kon. 4,8-37 , 2Kon. 4,18-37 , 2Kon. 4,8-37 , 2Kon. 4,8-37