Jeremia 1,4-19

Inleiding

Dit ‘roepingsverhaal’ van Jeremia is zeer geliefd. Het wordt vaak biografisch en psychologiserend uitgelegd (zo recent nog in de grote commentaar van Georg Fischer). Dat mag zo zijn, maar wellicht belangrijker is, dat de grote thema’s van Jeremia’sprediking hier al aan de orde komen. De indeling:

     4-10 eigenlijke roepingsverhaal

     11-16 twee visioenen

         11-12 het visioen van de amandelboom, met korte uitleg

         13-16 het visioen van de kokende pot, met uitvoerige uitleg

     17-19 hernemen van de roeping

De vertaling is ontleend aan mijn proefschrift, Waar is de Heer? dynamiek en actualiteit van het woord van Jhwh bij Jeremia, Gorinchem 1997, 35-59, maar grondig bewerkt; de notities komen daar ookvaak vandaan.

Vertaling

4
Het woord van de Heer geschiedde tot mij:1
5
‘Vóór ik je vormde in de baarmoeder
heb ik je gekend,
en vóór je tevoorschijn kwam uit de moederschoot
heb ik je geheiligd.
Profeet voor de volkeren heb ik je gemaakt.’
6
Ik zei:
‘Ach, heer God,
ik weet niet hoe te spreken,
want ik ben jong.’2
7
De Heer zei tot mij:
‘Zeg niet:
“Jong ben ik.”
want tot al3 waarheen ik je zend, zul je gaan,
en al wat ik je gebied, zul je spreken.4
8
Verschrik niet voor hun5 aangezicht,
want ik ben met je om je uit te redden
— uitspraak van de Heer.’
9
De Heer strekte zijn hand uit,
hij raakte mijn mond aan,6
de Heer zei tot mij:
‘Zie, ik leg mijn woorden in jouw mond.7
10
Kijk,
ik stel je op deze dag aan
over de volkeren en over de koninkrijken,
om uit te rukken, en om neer te halen,
en om te vernietigen, en om af te breken,
om te bouwen, en om te planten’.8
 
11
Het woord van de Heer geschiedde tot mij:
‘Wat zie je, Jeremia?’
en ik zei:
‘Een tak van de amandelboom (waakzame)9 zie ik.’
12
De Heer zei tot mij:
‘Je hebt goed gezien,
want waakzaam ben ik over mijn woord,
om het te doen.’
 
13
Het woord van de Heer geschiedde voor de tweede keer tot mij:
‘Wat zie je?’
en ik zei:
‘Een kokende pot zie ik,
en hij helt over vanuit het noorden.’10
14
De Heer zei tot mij:
‘Vanuit het noorden zal het kwaad geopend worden
over alle inwoners van het land.
15
Voorwaar, zie,
ik roep tot alle geslachten van de koninkrijken van het noorden,
— uitspraak van de Heer
en ze zullen komen,
en ieder hun zetel zetten
in de opening van de poorten van Jeruzalem,11
en tegen al haar muren rondom,
en tegen al de steden van Juda.
16
Ik zal mijn vonnissen tegen hen spreken
over al hun kwaad,
dat zij Mij verlaten hebben,
en rookoffers brachten aan andere goden,
en zich neerwierpen voor het werk van hun handen.
17
Jij dan,
omgord je lendenen,
en sta op,
en spreek tot hen al wat Ik je gebied;
verschrik niet voor hun aangezicht,
opdat ik je niet doe verschrikken12 voor hun aangezicht.
18
Ik, zie,
ik maak je op deze dag
tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar,
en tot bronzen muren
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda,
tegen haar priesters,
en tegen het volk van het land.13
19
Ze zullen tegen je strijden,
maar ze zullen je niet overwinnen
want ik ben met je
— uitspraak van de Heer
om je uit te redden.’14

Noten

  1. לאמר beschouw ik als aanduiding voor het begin van de directe rede, dus een dubbele punt.↩︎
  2. Er is veel discussie over de leeftijd van een נער:: het woord wordt breed gebruikt, van een kind van drie maanden (Mozes, Ex. 2) tot de jonge koning Salomo (1 Kon. 3). Ik vertaal ‘jong’ omdat dat het accent heeft: te jongvoor deze klus.↩︎
  3. ‘iedereen’ is mooier, maar dan verdwijnt de parallel met de volgende regel en de sterke nadruk op כל..↩︎
  4. Vgl. Deut. 18:18.↩︎
  5. In het suffix, meervoud, zitten de tegenstanders van Jeremia verborgen, waar hij vanaf het begin tegenop moet.↩︎
  6. Vlg. Jes. 6:6-7, maar daar indirect (seraf, en tang met kooltje). Hier ook niet het element van ‘reiniging’ zoals bij Jesaja.↩︎
  7. Eveneens Deut. 18:18. Jeremia wordt neergezet als een, of misschien zelfs de profeet in de lijn van Mozes.↩︎
  8. Dit zestal werkwoorden is heel markant voor het boek Jeremia (vgl. 12:14-17, 18:7v, 24:6, 31:28, 42:10, 45:4, met enige variatie). Let erop dat de eerste twee over de natuur gaan, de volgende twee over menselijk activiteit,en dat de laatste twee beide weer oppakken, maar nu (eindelijk) positief. De lezer is gewaarschuwd: de doemprofetie overheerst in dit boek.↩︎
  9. Woordspel rondom שׁקד.. De amandel is de eerste bloeier in de lente, Buber: ‘Zeitigreg, der Mandel, … zeitig rege ich mich’; Jhwh is alert om toe te zien op wat hieraangekondigd wordt.↩︎
  10. Lett. ‘zijn aangezicht (voorkant) is vanuit het noorden’. Woordspel minder direct dan in vorige visioen, opmerkelijk: de LXX heeft het wel (ὑποκαιόμενον — op het vuur gezet / ἐκκαυϑήσεται zal losbranden). In het Hebreeuwsalleen klankrijm tussen נפח en פתח en het noorden als gemeenschappelijk element.↩︎
  11. In 39:3 wordt dit letterlijk gedaan door de Babyloniërs, en worden Sedekia, zijn zonen en anderen gevonnist. Opmerkelijk dat hier gesteld wordt dat het Jhwh is die vonnis wijst(‘ik’ in v. 16) en om een andere reden dan Nebukadnessar, maar die beide ‘gerichten’ hebben toch iets met elkaar van doen.↩︎
  12. Gezien de verschillende vorm van חתת,, resp. nif. en hif., meen ik dat deze vertaling de juiste is: er zit de dreiging achter dat de profeet, mocht hij zijn opdracht opgeven, met een andere tegenstander van doen krijgt.Niet alle commentaren volgen dat, onder meer omdat de LXX het niet heeft. Vlg. Mozes die in Ex. 3:1-4:17 bevreesd is voor de farao, maar in de duistere perikoop Ex. 4:24-26 God zelf ontmoet als een veel vreeswekkender tegenstander.↩︎
  13. עם הארץ,, volk van het land: gekend moeilijke uitdrukking. Is ‘landeigenaars/vrije burgers’ bedoeld, dan is het ’t sluitstuk van een opsomming van mensen op hoge posities. Het kan ook veel algemener tot ‘volk’ vervlakkenen als restcategorie fungeren: ‘… en verder iedereen.’↩︎
  14. Hier wordt v. 8 weer opgepakt.↩︎
Scroll naar boven