Matteüs 21,33-43

Inleiding

De intern joodse discussie met de leiders bereikt een culminatiepunt. Daarom horen vv. 44-46 ook bij deze pericoop.

Vertaling

33
Luister naar een andere gelijkenis:
Er was een mens1, een huisheer2
die een wijngaard aanplantte,
er een omheining omheen zette,
er een perskuip in uitgroef,
een toren bouwde
en die uitgaf3 aan landbouwers
en wegging4 van zijn volk
34
Toen de tijd van de vruchten5 naderde,
stuurde hij zijn knechten uit naar de landbouwers
om zijn vruchten (in ontvangst) te nemen.
35
En de landbouwers namen6 zijn knechten,
de ene ranselden ze af,
de ander doodden ze,
nog een ander bekogelden ze met stenen.
36
Weer stuurde hij knechten uit, andere, meer dan de eersten,
en met hen deden ze net zo!
37
Als laatste7 stuurde hij zijn zoon uit naar hen,
hij zei:8
‘Ze zullen mijn zoon toch wel respecteren.’9
38
Maar toen de landbouwers de zoon zagen,
zeiden ze onder elkaar:
‘Dit is de erfgenaam!
Kom op, laten we hem doden,
dan hebben we zijn erfenis!’10
39
En ze namen11 hem,
gooiden hem de wijngaard uit
en doodden hem.
40
Wanneer nu de heer12 van de wijngaard komt,
wat zal13 hij dan met die landbouwers doen?
41
Ze zeggen tegen hem:
‘Die kwaden14 zal hij een kwaad einde bezorgen.15
en de wijngaard uitgeven aan andere landbouwers,
die de vruchten wel aan hem teruggeven16 wanneer het hun tijd is.’
42
Dan zegt Jezus tegen hen:
‘Hebt u nooit gelezen in de Schriften:
“De steen die de huisbouwers afkeurden
die is de hoeksteen, het hoofd17 geworden.
Vanwege18 de Heer is dit gebeurd,
en het is wonderbaarlijk in onze ogen19 [Ps. 118: 22v.]
43
Daarom zeg ik jullie:
‘Het koninkrijk van God zal je worden ontnomen
en gegeven worden aan een volk dat wel de vruchten ervan opbrengt.
Wie over die steen valt,20 zal verbrijzeld worden
en iedereen op wie die valt, zal hij vermorzelen.’
45
Toen de overpriesters en de farizeeën zijn gelijkenissen hoorden,
wisten ze dat hij over hen sprak.
46
Ze wilden hem grijpen,
maar ze vreesden de massa’s,21
omdat die hem voor een profeet hielden.

Noten

  1. ‘Mens’ is verdwenen in de NBV21, waardoor de hoorder niet kan nagaan of deze aanduiding hier misschien iets speciaals wil zeggen}, een huisheer’.↩︎
  2. In de Septuagint bijna altijd de vertaling van Adonaj of Adoon; NBV21 ‘landheer’.↩︎
  3. Ik laat graag het bijbelwoord ‘geven’ klinken, zinrijker dan het moderne ‘verpachten’ (NBV21).↩︎
  4. Ook letterlijk, veelzeggender dan ‘ging op reis’ (NBV21).↩︎
  5. Dit wezenlijke woord ontbreekt hier in de NBV21.↩︎
  6. Er staat hetzelfde woord als in v. 34.↩︎
  7. ‘Ten slotte’ (NBV21) kan ook, maar is minder persoonlijk.↩︎
  8. ‘Met de gedachte’ (NBV21) miskent de bijbelse verteltrant.↩︎
  9. De Hebreeuwse achtergrond van dit woord (via de Septuagint) wijst op de betekenis van zich klein maken, buigen, verootmoedigen.↩︎
  10. Waarom vertaalt de NBV21 met het zelfbedachte ‘opstrijken’? ‘Hebben’ is sterk genoeg.↩︎
  11. Er staat hetzelfde woord als in vv. 34 en 35.↩︎
  12. Met ‘eigenaar’ verduistert de NBV21 weer een bijbels grondwoord.↩︎
  13. ‘Zal’ is onheilspellender dan ‘moet’ (NBV21).↩︎
  14. κακός κακῶς, de NBV21 doet een goede vondst met 2 x ‘ellendig.↩︎
  15. NBV21 gebruikt de woorden ‘dood’ en ‘sterven’, woorden die hier nu juist niet staan.↩︎
  16. Pendant van ‘uitgeven’.↩︎
  17. {εἰς κεφαλὴν γωνίας ook dat woord moet klinken, לְרֹ֣אשׁ פִּנָּֽה in de psalm.↩︎
  18. ‘Dankzij’,zo NBV21.↩︎
  19. De ogen zijn verdwenen in de NBV21.↩︎
  20. Meer dan ‘struikelt’ (NBV21).↩︎
  21. Waarom voegt de NBV21 ‘de reactie van’ toe?↩︎
Scroll naar boven