aanmelden
Schriftlezing
website van de Dirk Monshouwer Stichting
H | 3e van de zomer | Leesrooster | M | Contact
Rubrieken
Agenda
De DM-Stichting
d Bijbelvertalingen
Gesorteerd op:
Bijbels
d Exegeses
Gesorteerd op:
Bijbels
Nieuws
d Links
Hoe kan ik ...
Pinksteren, 5 juni 2022
Ruth 2,1-23
Inleiding
Vertaling: Willemien Roobol
Vertaling
1Naomi had een verwant, van de kant van haar man,
een dapper en kloek man uit het geslacht van Elimelech
en zijn naam was Boaz.1
2Ruth, de Moabitische, zei tot Naomi:
Laat ik toch naar het veld gaan
om aren op te lezen achter iemand in wiens ogen ik genade2 vind.
Zij zei haar:
Ga, mijn dochter.
3Zij ging, kwam en las op in het veld achter de maaiers.
Het toeval wilde (viel haar toe)3 dat het velddeel van Boaz was,
die van het geslacht van Elimelech was.

4En zie: Boaz kwam uit Bethlehem en zei tot de maaiers:
De Eeuwige zij met jullie!
Zij zeiden tot hem:
Zegenen moge jou de Eeuwige
5Boaz zei tot zijn jongen, die over de maaiers gesteld was:
Bij wie hoort deze jonge vrouw?
6De jongen, die over de maaiers gesteld was, antwoordde en zei:
Een Moabitische jonge vrouw is zij,
die met Naomi teruggekeerd is uit het veld van Moab.
7Ze zei:
Laat ik toch oplezen4 en garven verzamelen achter de maaiers.
Ze kwam en stond vanaf de (vroege) morgen tot nu toe
en haar verblijf thuis was slechts weinig.
8Boaz zei tot Ruth:
Hoor je het niet mijn dochter?
Ga niet op een ander veld oplezen
en trek ook niet weg van hier,
maar kleef zo aan5 bij mijn jonge vrouwen.
9Je ogen op het veld, waar zij maaien en ga achter hen aan.
Heb ik de jongens niet geboden om jou niet aan te raken?
En heb je dorst, ga naar de vaten en drink van wat de jongens putten.’’
10Zij viel op haar aangezicht6 en boog zich ter aarde en zei tot hem:
waarom heb ik genade gevonden in jouw ogen,
dat je mij (er)kent, ik, die een vreemde ben?
11Boaz antwoordde en zei:
Gemeld is mij,
gemeld alles wat je gedaan hebt aan je schoonmoeder
na de dood van je man,
dat je je vader en je moeder en het land van je geboorte verliet
en ging tot een volk, dat je gisteren en eergisteren niet kende.
12Moge de Eeuwige jouw daad volledig vergoeden7
en moge jouw loon volledig goed zijn vanwege de Eeuwige,
de God van Israël
onder wiens vleugels jij bent gekomen om je toevlucht te zoeken.
13Ze zei:
Ik heb genade gevonden in jouw ogen, mijn heer,
want je troost mij,
want je spreekt tot het hart van je dienstmaagd
en ik, niet ben ik (als) een van je dienstmaagden.

14Boaz zei haar, toen het etenstijd was:
Kom hierheen naderbij en eet van het brood
en doop je stuk in de zure saus.
Zij ging zitten aan de zijde van de maaiers
en hij reikte haar geroosterd koren aan,
zij at, werd verzadigd en liet over.
15Toen stond zij op om te lezen.
Boaz gebood zijn jongens, zeggend:
Ook tussen de garven mag zij oplezen8 en je zult haar niet beschamen.
16Jullie zullen voor haar zelfs uit de arenbundels trekken,
ja trekken en het laten liggen, zodat zij het opleest.
En jullie mogen niet op haar schelden.

17Zij las op in het veld tot de avond en klopte uit wat zij had opgelezen:
Het was ongeveer een efa gerst.
18Zij pakte het op en kwam in de stad
en haar schoonmoeder zag wat zij opgelezen had.
Zij haalde ook tevoorschijn
en gaf haar wat zij had overgehouden nadat ze verzadigd was.
19Haar schoonmoeder zei tot haar:
Waar heb je vandaag opgelezen?
Hoe heb je het gedaan?
Gezegend hij, die jou (er)/gekend heeft.
Toen meldde ze haar schoonmoeder bij wie ze het gedaan had.
Ze zei:
De naam van de man, bij wie ik het gedaan heb vandaag, is Boaz.
20Naomi zei tot haar schoondochter:
Gezegend is hij bij de Eeuwige,
die zijn blijk van trouw niet nalaat aan de levenden en de doden.
Naomi zei haar:
Een verwant is de man van ons, (een) van onze lossers is hij.9
21Ruth de Moabitische zei:
Ook heeft hij tot mij gezegd:
Kleef aan bij de jongens van mij
tot ze al het maaien10 voor mij voltooid hebben.
22Naomi zei tot Ruth, haar schoondochter:
Goed, mijn dochter,
met de jonge vrouwen van hem moet je uitgaan,
zodat ze jou niet lastigvallen op een ander veld.
23Zij kleefde aan de jonge vrouwen van Boaz om op te lezen
tot het maaien van de gerst en het maaien van de tarwe voltooid waren.
En ze verbleef bij haar schoonmoeder.
Noten
1De naam Boaz betekent ‘in hem is kracht’. De naam herinnert aan een zuil in de tempel (1Kon. 7:21).
2Het woord חֵן (gunst, genade) komt driemaal voor in dit hoofdstuk (vers 2, 10, 13) en komt elke keer uit de mond van Ruth.
3Het ‘toeval viel toe’, ‘het toeval wilde’ (וַיִּ֣קֶר מִקְרֶ֔הָ,  vers 3). Hier klinkt een coïncidentie. Werk van de Geest? Er wordt immers niet verteld, dat Naomi Ruth speciaal naar dit veld heeft gestuurd, omdat Boaz familie is. Zie ook vers 19.
4Het oplezen van Ruth heeft alles te maken met de Torahregels rondom het Wekenfeest, Pinksteren (Lev. 23:15-22), waar wordt geboden om iets van de oogst te laten liggen voor de armen en de vreemdelingen. Ruth 2 vertelt hoe Boaz zich hier ruimhartig aan houdt. Dit is een contrast met de manier, waarop in het boek Richteren met vreemdelingen wordt omgegaan. Boaz geeft niet alleen uitgebreid ruimte om aren te lezen, hij beschermt Ruth als alleenstaande vrouw ook tegen ongewenste intimiteiten (vers 9).
5Het woord ‘dabaq’ (aankleven) komt driemaal voor in dit hoofdstuk (vers 8, 21, 23). Het verwijst naar Ruth 1:14 en naar Genesis 2:24. Aankleven is een archaïsch woord, maar ik vind deze teksten buitengewoon poëtisch.
6‘zij viel op haar aangezicht’, in navolging van Buber houd ik het maar bij deze letterlijke vertaling, die vast wel vragen oproept.
7Een belangrijk vers; Hier gaat het om de woordstam שָׁלַם‎, die ik heb vertaald met ‘volledig vergoeden’ en ‘volledig goed’. Ook gaat het in vers 12 om het ‘toevlucht zoeken onder de vleugels van de Eeuwige’. Deze vleugels van de Eeuwige zullen in het volgende hoofdstuk concreet worden in de vleugels van Boaz (Ruth 3:9)
8Torahregels over het aren lezen worden ruimhartig, niet naar de letter, maar naar de Geest uitgelegd. In vers 16 wordt ‘de jongens’ gevraagd zelfs aren uit de bundels te trekken voor Ruth.
Torahregels:
  in Leviticus 19:9-10 gaat het om aren lezen door de arme (עָנִי, ellendige, nederige) en de vreemdeling,
  in Deuteronomium 24:19 gaat het om aren lezen door vreemdeling, weduwe en wees
  in Leviticus 23:22 gaat het om armen en vreemdelingen
Ruth is weduwe en vreemdeling en mede daardoor arme of ellendige.
9Het ‘losserschap’ wordt hier al even aangeduid. Dit gaat over het lossen van het erfbezit aan land (Lev. 25:23-28). Dit belooft wat, vooral als deze regel van losserschap gecombineerd zal worden met de regel van  het zwagerhuwelijk (Deut. 25: 5-10). In het woord ‘aankleven’, dat door Boaz als eerste wordt genoemd (vers 8), en wat Ruth later overneemt (vers 21, 23) klink misschien al iets van deze belofte door. Maar Ruth ‘kleeft’ als eerste haar schoonmoeder aan (1:14), bij wie ze dan ook ‘verbleef’ (vers 23).
10Vertaal je het Hebreeuwse woord קָצִיר met ‘maaien’ en ‘maaiers’ of met ‘oogsters’ en ‘oogst’? Ik heb gekozen voor maaien in navolging van bijna alle vertalingen
Afdrukken | Vertaler onbekend | bij Pinksteren
Laatste wijziging 2 Apr 2022 10:34:51
Reacties: nog geen reactie. Gebruik, als u bent ingelogd, b om te reageren.
Andere vertalingen: Ruth 2,1-3 [OT-alt]

Pinksteren - rood
Geen afbeelding opgegeven.

Overige teksten:

Joël 3,1-5 [OT]
Ruth 2,1-23 [rector]
Joh. 20,19-23 [Evangelie]

Deze site heeft 249 leden, waarvan 2 online; Bezoekers : vandaag: 113; Colofon