aanmelden
Schriftlezing
website van de Dirk Monshouwer Stichting
H | 1e van de zomer | Leesrooster | M | Contact
Rubrieken
Agenda
De DM-Stichting
d Bijbelvertalingen
Gesorteerd op:
Bijbels
d Exegeses
Gesorteerd op:
Bijbels
Nieuws
d Links
Hoe kan ik ...
, 30 november 1999
Johannes 6,1-15
Een overvloedig maal voor de volkeren
Inleiding
Deze lezing sluit om twee redenen mooi aan op de lezing van vorige week: Johannes 2:13-22: (1) omdat ook hier gezegd wordt: ‘Het Pascha, het feest van de Joden, was nabij’ (2:13; 6:4) en (2) omdat ook hier verteld wordt van een teken (2:18; 6:[2]14). Die twee: het naderende Pascha en het teken zijn in het Johannesevangelie steeds aan elkaar gekoppeld.
Vertaling
1Daarna ging Jezus weg naar de overkant van de zee van Galilea, van Tiberias.
2Een talrijke menigte bleef hem volgen,
omdat zij steeds de tekenen aanschouwden die hij aan de verzwakten deed.

3Jezus kwam de berg op
en zat daar met zijn leerlingen.
4 — Het Pascha evenwel, het feest van de Joden, was nabij —
5Nadat Jezus dan de ogen heeft opgeslagen
en gezien heeft dat een talrijke menigte naar hem toe komt,
zegt hij tegen Filippus:
‘Waar kopen [halen] wij broden vandaan,
opdat dezen daar te eten hebben?’
6 — dat zei hij, hem op de proef stellend,
want zelf wist hij wat hij van plan was te doen —
7Filippus antwoordde hem:
‘Voor tweehonderd denarie broden zijn voor hen niet voldoende,’
opdat eenieder een beetje ontvangt.’
8Een van zijn leerlingen, Andreas, de broer van Simon Petrus, zegt tegen hem:
9‘Er is hier een klein kind dat vijf gerstebroden en twee visjes heeft;
maar wat is dat met het oog op zovelen?’
10Jezus zei:
‘Doe de mensen aanliggen.’
— Het gras was talrijk op die plaats —
De mannen lagen dan aan,
een aantal van ongeveer vijfduizend.
11Jezus dan nam de broden in ontvangst,
en na de dankzegging gaf hij ze door aan wie daar aanzaten;
desgelijks ook van de visjes, zoveel als ze wilden.
12Als ze verzadigd zijn,
zegt hij zijn leerlingen:
‘Verzamel de overgebleven brokken,
opdat er niets verloren gaat.’
13Ze verzamelden dan
en vulden twaalf manden met brokken van de vijf gerstebroden
die overgebleven waren voor hen die zich gevoed hadden.
14De mensen dan die het teken zagen dat hij had gedaan,
zeiden:
‘Deze is waarlijk de profeet, die naar de wereld zou komen.’

15Omdat Jezus dan wist
dat zij van plan waren te komen en hem te roven om hem koning te maken,
week hij weer uit, de berg op,
hij alleen.

Noten
V. 3 ἀνῆλθεν: ‘kwam de berg op’ in plaats van ἀνέβη ‘ging de berg op’.
V. 3 ἐκάθητο: niet ‘ging zitten’, maar ‘zat’.
V. 4 δὲ: het voegwoord heeft hier adversatieve betekenis: ‘echter’.
V. 4 οἱ Ἰουδαῖοι: wordt nog wel eens vertaald met ‘Judeëers’, mij lijkt juister om het te vertalen met ‘Joden’. Ze staan in Joh. 5-6 tegenover de talrijke menigte.  
V 5, 8 en 12: λέγει: ‘zegt’, praesens historicum.
V. 5,10,11,13,14,15: steeds terugkerend voegwoord: οὖν, ‘dan’.
V. 9 παιδάριον : vaak mnl. vertaald met ‘jongetje’, ‘knaap’ of ‘jochie’, ik bepleit een genderneutrale vertaling: ‘klein kind’.
V. 10 ἀνέπεσαν: niet ‘gingen aanliggen’, maar ‘lagen dan aan’.
V. 11 διέδωκεν: het werkwoord wordt vaak, en niet ten onrechte, vertaald met ‘verdeeld’, ik wil de betekenis van het ‘geven’ graag vasthouden.
V. 11  opvallend: ἀνακειμένοις ‘aanzaten’, alsof er een tafel in het gras staat.
V. 15 ἁρπάζειν: het werkwoord betekent letterlijk ‘roven’ (10:12), NBG’51 heeft ‘met geweld meevoeren’. Een dynamisch-equivalente vertaling zou hier voor ‘ontvoeren’ kiezen.

De tijdsaanduidingen
Het verhaal (6:1-15) bevat een relatieve en een absolute tijdsaanduiding:
Met een relatief tijdsmoment begint Joh. 6:1-15: ‘daarna’, een woord dat veelvuldig in het Johannesevangelie voorkomt (2:12; 3:22; 5:1: 6:1; 7:1; 19:38; 21:1). Het dwingt de lezer om in de voorafgaande perikoop te kijken wat daar is gebeurd: de genezing van een zieke op de sabbat in Jeruzalem in het Bethesda-bad (5:1-47), een genezing die eindigt met een uitgebreid antwoord van Jezus op de Joden die hem willen vervolgen, omdat hij ‘deze dingen op de sabbat deed’ en doden, omdat ‘hij zichzelf met God gelijkstelde’. Hoe anders is straks de talrijke menigte die hem koning wil maken (6:15).
Het absolute tijdsmoment vind je zogezegd tussentijds, tussen v. 3 en v. 5: ‘Het Pascha evenwel, het feest van de Joden, was nabij.’ Drie keer in het Johannesevangelie wordt dit gezegd: ‘Het Pascha, het feest van de Joden, was nabij’  (2:13; 6:4 en 11:55).  Alle drie keer vindt er een teken plaats. Meestal staat een tijdsaanduiding aan het begin van een perikoop. Dat is hier niet het geval. De voor het Johannesevangelie zo karakteristieke tijdsaanduiding heeft hier het karakter van een tussenopmerking/parenthese. Het maakt de lezer nieuwsgierig waarom de verteller dit zo doet. In 2:13 leidde het naderende Pascha ertoe dat Jezus naar Jeruzalem optrok. Dat gebeurt hier niet. Vandaar ook het adversatieve voegwoord δὲ in vers 4. Jezus doet hier iets dat je gezien het naderende Pascha niet zou verwachten. Je zou nl. verwachten dat hij naar Jeruzalem zou optrekken (maar dan zou hij gedood worden). Karakteristiek voor Pascha is het Paasmaal: het eten van het Pascha (18:28). Dat maal vindt hier niet plaats, maar er vindt een ander, alternatieve (Paas)maal plaats.
De tijdsaanduiding kan daarnaast betrokken worden op het slot: 6:15, waar ze Jezus koning willen maken. De tijdsaanduiding zorgt dan voor het beeld dat dat straks op Pascha zal gaan gebeuren. De lezer weet dat dat te vroeg is. Dat zullen ze straks op het derde Pascha (11:55-21:25) gaan doen: hem tot koning van de Joden maken (18:28vv).

De plaatsaanduidingen
Wij verstaan 6:1-15 als een eenheid, op basis van het feit dat het zich ‘daarna’ afspeelt. Let je op de plaatsveranderingen, dan zie je drie bewegingen: (1) Jezus die weggaat [uit Jeruzalem] (6:1-2), (2) Jezus die de (niet nader aangeduide) berg opgaat en zich daar samen met zijn leerlingen neerzet (6:3-14) en (3) Jezus die opnieuw uitwijkt, nu door alleen de berg op te gaan (6:15v.).

Structuur
Op grond hiervan kom ik tot een driedeling:

(A) [5:1-]6:2: weggaan
Johannes 6:1 functioneert bij ons als het begin van een nieuwe perikoop, maar kan misschien beter gezien worden als de slotzin/afronding van 5:1-47: ‘Daarna ging Jezus weg …’.
Joh. 6:1-15 kent een harde geografische overgang, als je bedenkt dat de vorige scène (5:1-47) zich afspeelde in Jeruzalem, en nu gezegd wordt dat Jezus weggaat naar de overkant van de zee van Galilea, van Tiberias (zie verder 6:16-25). Hij gaat dus vanuit het centrum naar een gebied dat zover mogelijk van Jeruzalem is verwijderd, ja hij verwijdert zich van joods territoir. Dat is niet vreemd, als je ziet dat de Joden hem willen doden (5:17). Jezus overbrugt hier een fikse afstand. Van die tijdsperiode wordt verteld dat die gevuld wordt én door tekenen die Jezus doet, én door een grote menigte die hem op die reis volgt.
(B) 6:3-14: Jezus op de berg
Dit middelste deel bestaat zelf ook weer uit drie delen: (1) 6:3; (2) 6:4 en (c) 6:5-14. Het slotdeel kent een omraming: Jezus ziet de menigte op hem toekomen (6:5) en menigte ziet in Jezus een profeet naar de wereld komen (6:14). De royale (= koninklijke) maaltijd is van die ontmoeting het symbool.
Zoals bij wonderverhalen vaak het geval is, eindigen zij met een uitspraak over de identiteit van de wonderdoener (zie bijv. Luc. 4:40-41; 7:11-17; 8:22-25; 9:10-17  > 9:18-27).
(A’) 6:15[-21]: weer uitwijken
Johannes 6:15 staat in relatie tot vers 5, hier krijgt de lezer te horen wat de reden is van hun komst. Dat hadden we niet gehoord in vers 5. Joh. 6:15 heeft een dubbelfunctie. Het functioneert als het slot van de perikoop, maar kan ook gezien worden als het begin van de daarop volgende perikoop, met eerst één vers over Jezus (6:15), direct gevolgd door een passage over zijn leerlingen (6:16-21) (zie ook 6:3 – Jezus + zijn leerlingen). Jezus is alleen op de berg, de leerlingen gaan alleen terug naar de overkant, ze zien Jezus over de zee lopen, maar hij gaat niet met mee in de boot.

Summarium (6:1-2) – scene (6:3-14) – summarium (6:15)
Johannes 6:1-2 verhoudt zich tot 6:3-14 als ‘summarium’ tot ‘scene’.  Beiden beginnen met een uitspraak over het veranderen van plaats door Jezus (6:1; 6:3), beiden maken melding van een menigte die Jezus volgt (6:2), respectievelijk naar hem toe komt (6:5), beiden eindigen met een uitspraak over het zien van de tekenen/het teken (6:2; 6:14).
Let op het verschil in de werkwoorden: ‘aanschouwen’ (6:2) en ‘zien’ (6:14). In het eerste geval zijn ze toeschouwers van de tekenen die Jezus op de verzwakten doet, hier zijn ze zelf betrokkenen. In de ‘summary’ leidt het aanschouwen van de tekenen die hij aan anderen gedaan heeft, dat ze hem volgen, in de scène leidt dat tot een uitspraak over Jezus’ identiteit: ‘Deze is waarlijk de profeet, die naar de wereld zou komen’.
Ze komen oorspronkelijk (6:5>15) – op basis van de tekenen die hij gedaan heeft op de verzwakten – om hem koning te maken. Na het zien van dit  (profetische) teken dat hij aan hen doet, deze royale maaltijd, zien ze in hem de profeet die naar de wereld zou komen. Ze veranderen dus van opvatting. Een groot aantal uitleggers is van opvatting dat hier op Mozes wordt gedoeld, mij lijkt het aannemelijk te denken aan profeten als Elia (1 Kon. 17:7-24) en vooral ook, gezien de gerstebroden, Elisa (2 Kon. 4:42-44) gezien de overvloedige maaltijden waar zij voor zorgen. In aantallen echter overtreft (aemulatio) Jezus hen.
Johannes 6:3-14 verhoudt zich tot 6:15 als ‘scene’ tot ‘summarium’. In Johannes 6:15 komt Jezus terug op de komst van de menigte, en wel op de reden van hun komst: om hem, Jezus, koning te maken.
Johannes 6:1 en 6:15 omsluiten het verhaal: twee uitspraken over Jezus die uitwijkt. In 6:1 gaat Jezus weg om uit te wijken voor de Joden die hem willen doden, in 6:15 wijkt hij uit, nu om aan de menigte te ontkomen die hem – voortijdig – koning wil maken.

Motiefwoorden
Ik zie drie motiefwoorden:
(1) zien (6:2,5,14): de menigte ziet de tekenen, die …, het teken dat hij gedaan heeft.
(2) gaan/komen (6:1,3,5,14,15): Menigte komt tot hem (v. 5) …dat is een komen om hem koning te maken (v. 15). Jezus ziet de menigte naar hem toe komen. De menigte ziet dat hij, een profeet, naar de wereld komt.
(3) doen/maken (6:2,6,10,14,15): Jezus doet tekenen (vv. 2,14). Jezus wist wat hij zou gaan doen (v. 6) en hij wist dat zij zouden komen en hem ontvoeren om hem tot koning te maken (v. 15).

Verhaalpersonages
In het verhaal gaat het om drie verhaalpersonages: (1) Jezus, (2) de talrijke menigte en (3) de leerlingen.  In het eerste deel: Jezus en de talrijke menigte. In het tweede deel: Jezus en de leerlingen (6:3), maar het duurt niet lang of de talrijke menigte komt in het vizier (6:4-14). Het derde deel begint met Jezus (alleen), waarna de leerlingen in beeld komen (6:16-18) die Jezus over de zee zien lopen (6:19-21).
(1) De protagonist wordt opvallend weergegeven, en wel als iemand met een bijzondere kennis (zie ook 6:61,64): (a) hij wist wat hij van plan was te doen (6:6) en (b) hij wist dat zij van plan waren te komen en hem ontvoeren om hem koning te maken (6:15).
(2) De talrijke menigte en (3) de leerlingen verschijnen eerst als collectief (6:2,5 en 6:3), om vervolgens tot concrete personages te worden: de leerlingen worden leerlingen met een naam: Filippus (6:5-7) en Andreas (6:8-9), de menigte verandert in ‘mensen’ (6:10,14) en ‘mannen’ (6:10).

Directe redes
Het verhaal kent zes directe redes (6:5,7,9,10,12,14). Vijf betreffen de situatie van het wonder. Het zijn twee gespreksrondes, waarvan Jezus steeds de initiatiefnemer is en de leerlingen de gespreksdeelnemers: (1) voorafgaand aan de maaltijd en (2) na de maaltijd. In de zesde directe rede (6:14) trekken ‘de mensen’ uit het teken de conclusie dat hij de profeet is die naar de wereld zou komen. Twee keer is sprake van ‘deze(n)’: in de eerste (6:5) en in de laatste directe rede (6:14). De eerste keer gaat het over de menigte die naar hem komt. De laatste keer over de profeet die naar de wereld komt.

Het teken: een overvloedig Paasmaal: met de volkeren
Jezus ziet de menigte als gasten die hij van eten heeft te voorzien, en zichzelf als de gastheer. Het gras functioneert als aanligplaats. Het gras is talrijk, zodat de talrijke menigte er zijn plek op vindt. De verteller spreekt van ‘aanzitten’ waarmee hij het beeld oproept van het gras als een tafel waar ze aanzitten.  
Dit maaltijdverhaal bestaat uit de volgende elementen:
(a) De aanschaf van het voedsel voor de maaltijd (6:5-9)
(b) Het gaan aanliggen aan tafel (6:10)
(c) Het uitdelen van het voedsel (6:11)
Wat ontbreekt: het eten van het voedsel!
(komt later wel in het broodgesprek aan de orde [6:23,26]).
(d) Het verzamelen van het overgebleven voedsel (6:12-13).
Het wonder, als ik dat woord toch even mag gebruiken, speelt zich af in 6:5-13. Het verhaal begint bij het problematiseren. Dit keer gebeurt dat door Jezus: ‘Waar kopen [halen] wij broden vandaan, opdat dezen daar te eten hebben?’ Het woordje ‘waarvandaan’ is een bijzonder johanneïsch vraagwoord (2:9, de wijn; 3:8, de wind; 4:11, het water; 7:27-28, de christus; 8:14; 9:29-30). Daar laat de verteller het niet bij. Hij voegt eraan toe dat hij wel wist wat hij ging doen. Het maakt een lezer nieuwsgierig, omdat deze in zijn denken niet veel zal verschillen van deze leerling. Jezus stelt de vraag aan Filippus (1:44) om hem te testen. Waarop? Dat wordt niet expliciet gezegd. Het antwoord zal de lezer zelf ergens in de tekst moeten zoeken. Ik zou zeggen of ze het antwoord op de vraag ‘waarvandaan’ weten.
Zelfs als je er een heleboel geld (200 dagen werk van een dagloner) in steekt, zal dat niet voldoende zijn. Waarom niet, weet de lezer dan nog niet. Dat wordt pas echt duidelijk, als je als lezer later verneemt dat het om zo’n 5.000 mensen gaat.
Andreas laat weten dat er wel iemand is, een jongetje die voedsel bij zich heeft, maar hij voegt er direct al vragend aan toe dat dat niet voldoende is voor zovelen. Je zou zeggen: het probleem kan niet opgelost worden, maar Jezus heeft daar een andere kijk op. Daarbij zet hij in bij het weinig dat er is. Dat weinige maakt hij vervolgens tot een enorme hoeveelheid (contrast met ‘een beetje’ in 6:7).
Zoals steeds bij wonderen kan je er niet precies de vinger opleggen. De lezer zal het ergens zoeken in vers 11.  Tussen het ‘nemen’ en het ‘geven’ is sprake van dankzegging. Het adres van de dankzegging ontbreekt. Wij denken – heel vroom – direct (alleen) aan God, maar waarom zou je het kleine kind daarvan buitensluiten? Het begint nl. wel bij het kind, het vervolg komt van .. God, zo zal de lezer concluderen. Er komt een eindeloze stroom voedsel uit zijn handen: ‘zoveel als ze wilden’, met als gevolg dat ze verzadigd worden. Daartoe is het niet beperkt, er blijft nog een enorme hoeveelheid over. Het roept het beeld op van overvloed, een overvloed die niet zomaar verloren mag gaan. De lezer kan bijna niet anders dan begrijpen dat het antwoord op de vraag ‘waarvandaan?’ is, dat deze overvloed uit de hemel moet komen (6:31).
Bij dat beeld van overvloed die niet verloren mag gaan, blijft het. Wat er vervolgens met die overvloed gebeurt, horen we niet. De verteller richt vervolgens de aandacht op de ‘lezing’ van de mensen van dit teken. Dit teken laat hen zien dat hij waarlijk de profeet (in de lijn van een Elia en Elisa) is die naar de wereld komen zou.
Hoorden we in 5:17 dat de Joden hem willen doden, in 6:15 horen we wat de reden was dat de talrijke menigte naar hem toekomt: om hem te roven om hem koning te maken. Het zorgt ervoor dat 6:5-14 een tussenverhaal is tussen de komst van de menigte en hun poging om hem te ontvoeren. Het verhaal eindigt met dat hij weer uitweek. Dat ‘weer’ refereert aan Jezus’ weggaan aan het begin om aan een voortijdige dood te ontsnappen (6:1). Nu moet hij opnieuw uitwijken, dit keer om aan de menigte te ontkomen, nu doet hij zonder zijn leerlingen mee te nemen.

Focus voor de preek
Ik zie drie mogelijkheden:
(a) De focus – in deze coronatijd, waar nu aandacht ontstaat voor de problemen die jongeren ondervinden – op de kleine jongen (geen persona dramatis, handelend persoon). En dan ook de aandacht voor het feit dat het specifieke adres van de dankzegging ontbreekt. De verteller houdt het open.
(b) De focus op het teken (6:3-14) – en het ‘waarvandaan?’ – dat Jezus – op het hoogtepunt: de berg – aan hen (de talrijke menigte) verricht, waar ze eerder van de tekenen die hij op de verzwakten deed, toeschouwers waren. De hoorder/lezer vraagt zich bij een wonder meestal af: hoe kan dat? Nu is het Jezus die die vraag stelt aan Filippus. Hij hoort met Andreas tot de mensen van de snelle en praktische oplossingen. Filippus denkt aan een enorme hoeveelheid geld (één denarie is het bedrag dat een dagloner krijgt; voor 200 denarie zou iemand dus 200 dagen moeten werken) en Andreas aan een hele kleine hoeveelheid voedsel: vijf gerstebroden en twee visjes dat een klein kind bij zich heeft. Maar ze realiseren zich allebei dat hun antwoord onvoldoende is om het probleem op te lossen. Je zou zeggen: het probleem kan niet opgelost worden, maar Jezus heeft daar een andere kijk op. Daarbij zet hij in bij het weinig dat er is. Dat weinige maakt hij vervolgens tot een enorme hoeveelheid (contrast met ‘een beetje’ in 6:7).
Zoals steeds bij wonderen kan je er niet precies de vinger opleggen. Het moet ergens in v. 11 gelegen zijn. Er komt een eindeloze stroom uit zijn handen: ‘zoveel als ze wilden’, met als gevolg dat ze verzadigd worden. Daartoe is het niet beperkt, er blijft nog een enorme hoeveelheid over. Het roept het beeld op van overvloed, een overvloed die niet zomaar verloren mag gaan. De lezer kan bijna niet anders dan begrijpen dat het antwoord op de vraag ‘waarvandaan?’ is, dat deze overvloed wel uit de hemel moet komen (6:31). Het is goeie genade! Vandaar de dankzegging – aan het kleine kind vanwege zijn vijf broden en twee  [gedroogde] visjes en aan God die dat in een royale maaltijd omzet (eu-charis-teuō).
(c) De focus op de tussenopmerking ‘Het Pascha echter, het feest van de Joden was nabij’, als zijnde een opmerkelijke tussenopmerking. Jezus zou in verband daarmee terug moeten naar Jeruzalem (5:1-47) om daar het Pascha te eten. Jezus zet de talrijke menigte in het talrijke gras uit bijna niets een buitengewoon royale (= koninklijke!) maaltijd voor.

9 maart 2021
Nico Riemersma
www.nicoriemersma.nl
Afdrukken | Exegeses door Nico Riemersma | bij
Laatste wijziging 13 Mar 2021 16:39:24
Reacties: nog geen reactie. Gebruik, als u bent ingelogd, b om te reageren.
Bijbelvertalingen: Joh. 6,1-15 [Evangelie] , Joh. 6,1-15 [Evangelie] , Joh. 6,1-15 [Evangelie] , Joh. 6,1-15 [Evangelie] , Joh. 6,1-15 [Luthers leesrooster] , Joh. 6,1-15 [Evangelie] Een overvloedig maal voor de volkeren

-
Geen afbeelding opgegeven.

Overige teksten:

Zach. 14,1-21 [OT]
Est. 9,1-1 [OT-alt]
Luc. 13,1-9 [Evangelie]
Hand. 20,13-38 [Evangelie]
Luc. 15,1-10 [Evangelie]
Luc. 15,1-10 [Evangelie]
Luc. 19,41-48 [Evangelie]
Luc. 19,41-48 [Evangelie]
Luc. 2,21 [Evangelie]
Luc. 12,35-40 [Evangelie]
Luc. 12,35-40 [Evangelie]
Luc. 2,21-21 [Evangelie]
Ex. 10,1-27 [OT]
Mat. 21,1-11 [Evangelie]
Mat. 10,34-42 [Evangelie]
Mat. 10,34-42 [Evangelie]
Mat. 10,34-42 [Evangelie]
Ex. 8,12-28 [OT]
Ex. 9,1-29 [OT]
Ex. 14,15-31 [OT]
Zach. 9,9-13 [Commentaar]
Jes. 55,6-13 [OT]
1Petr. 2,1-10 [Epistel]
Ex. 4,18-26 [OT]
1Sam. 16,1-23 [OT-alt]
2sam. 15,1-12 [OT-alt]
Ex. 6,6-20 [OT]
Ex. 6,6-20 [OT]
Jer. 23,1-6 [OT]
Ex. 4,18-26 [OT]
Ex. 2,1-10 [OT]
Mat. 5,1-12 [Commentaar]
Ex. 5,1-23 []
Ex. 5,1-23 [OT]
Joh. 16,16-24 [Commentaar]
Jes. 43,18-25 [Commentaar]
Num. 11,24-29 [OT]
Mi. 5,1-14 [Commentaar]
Gal. 4,1-7 [Epistel]
Luc. 1,24-25 [Evangelie]
Zach. 8,1-6 [OT]
Zach. 8,18-23 [OT]
Ex. 3,1-14 [OT]
2Kon. 2,1-18 [OT-alt]
Zach. 10,3-12 []
Ex. 2,11-24 [OT]
Jes. 1 [OT]
Ex. 12,1-51 [OT]
Ex. 13,1-16 [OT]
Ex. 14 [OT]
Luc. 11,32-40 [Evangelie]
Luc. 17,11-19 [Evangelie]
Ex. 21,1-11 [OT]
Ex. 21,12-25 [OT]
Ex. 22,1-30 [OT]
Ex. 8,27-27 [OT]
Joh. 6,1-15 [Commentaar]

Deze site heeft 246 leden, waarvan 3 online; Bezoekers : vandaag: 29; Colofon